Ook in dit nummer van Ons Kommeere volgen we onze man-met-de-Kodak op zijn hobbelige pad naar fotografische erkenning en zijn hopeloze zoektocht naar dat ene verlossende kiekje dat hem eindelijk toegang zal verlenen tot de roetsjbaan der roem. Onderweg wordt hij op pijnlijke wijze geconfronteerd met de valkuilen van het métier, zijn gulzigheid en naiviteit helpen hem daarbij niet echt vooruit…

Als hedendaags fotograaf ben je gedoemd af en toe af te dalen in de krochten onzer kluit, uw valies te pakken richting armoe, revolutie en discriminatie, kwestie van uw verbondenheid met de wereld te etaleren en u te profileren als sociaal-geëngageerd portrettentrekker. Miserie als remedie voor een slabakkende carriere zeg maar. Meestal voert de wind u dan in zuidelijke richting, in dit geval blaast ze oostwaarts, richting Kosice in godsnaam, de onbestaande heimat van het merendeel van de Gentse Roma.
Een goede voorbereiding is half gewonnen dus je bekijkt wat foto’s van Koudelka, de vrijheid én rauwheid van een rondtrekkend bestaan in beeld gebracht. Veel platteland en koterijen, paarden en soms een huifkar nog, gevuld als een boeket met kinderen, taferelen weggelopen uit een theaterstuk, met de muziek bijna hoorbaar op de achtergrond. De foto’s ademen de smaak van non-conformisme, overgoten met de romantische saus van de vagebond.
Maar je herpakt je want romantiek is saus voor onnozele kinderen – Roma en romantiek zijn ethymologisch niet verwant – en de beelden van de Roma in de Brugse Poort staan ermee in schril contrast. Exit romantiek, intro krot & co.
Je beseft dat je bitter weinig weet over de geschiedenis en cultuur van deze mensen. Je zou liefst vanuit uw fauteuil het gat in uw cultuur bijplamuren met wat leesvoer omtrent de zaak maar beelden blijken vaak een goed smeermiddel voor woorden, dus klik je jezelf lowcost-gewijs in een paar minuten richting Kosice, en je pakt een valies met daarin niet veel meer dan een hoop clichés en een credo “hoe armer de mensen, hoe vriendelijker ze zijn meneer”…
Toegekomen ter plekke draai je wat rondjes tussen stad en platteland en naast de vijftig tinten grauw springt nog een zaak in het oog: als de Roma in Gent figuurlijk aan de rand van de maatschappij vertoeven is dat in en rond Kosice bovendien ook letterlijk zo. Uw netvlies is door de jaren heen wel wat gewend geraakt aan beelden van armetier, maar voor je het goed en wel beseft kom je terecht in een apocalyptische setting die je grenzen verlegt: mensen die rijtje schuiven voor de dagelijkse waterbedeling, kleine kinderen in adamskostuum of flarden van kleren, grotere kinderen met de blik van oorlogsveteranen, als copycat van hun omgeving, de geur van goor die je dagen achtervolgt, de wazige blik van lijmsnuiverij, een bizarre vorm van kangoeroe-wonen met ratten die de vuilniszakken buiten dragen, machismo als pantser voor dit alles. Maar ook, bij wijze van contrast, de cool en de flair van de jeugd, het spel van verleiding en pose en de wonderlijke souplesse van de wonderjaren (kijk in slow-motion): flanerende prinsessen-in-spe en jeugdige salto-mortales à volonté. Met temidden van dit schouwspel, een tempel Gods, de Salezianen-tak van de zieleknijpers-maffia, vertegenwoordigers van Spic & Span, bedoeld als symbool van hoop en verlossing, de opoffering en de eenvoud van pater Damiaan indachtig, maar dan zonder de opoffering en de eenvoud, verpakt in een metershoge stalen omheining en massa’s marmer… Dit alles, dames en heren, in Europa, Slowakije, Kosice, Kecerovce en Jasov, t’is maar een uurtje vliegen…
En je verslikt je in de klik, fotografisch gestotter met de ramptoerist als doembeeld, en de vraag die er toe doet: wat komt deze gadjo met zijn fototoestel hier doen ? De parabel van de druppel en de hete plaat. En je denkt bij jezelf, de wereld is géén groot dorp en de Brugse Poort is dat ook niet. T’is een enorme plas vol eilanden, van elkaar gescheiden door een zee van vooroordelen en socio-economische kloven. De Roma als schoolvoorbeeld van generatie-armoe. De geschiedenis voerde hen mee van gerespecteerde ambachtslui over hofleveranciers van zwierige feestelijkheid en ergens onderweg kwamen de huifkarren vast te zitten in de modder en daarbij ook hun vrijheid, zelfrespect en economische autonomie. De foto’s van Koudelka blijken impressies van een levensstijl die grotendeels verdwenen is, bedolven onder massa’s regels (uw domicilie meneer? straatje-zonder-einde nr 13), de dwingende pletwals van het conformisme, de vaart der volkeren zo u wil. De bakstenen droom als nachtmerrie. Analfabetisme als proloog op een epiloog van gescharrel in de marge. Discriminatie en segregatie als ongelukkige bijwerking van een levensstijl buiten de lijntjes.
En je zoekt de wonde, met de vinger… hoe kan een volk wereldwijd zo gemarginaliseerd raken ? Dragen we met z’n allen een collectieve verantwoordelijkheid en waar begint de zelfredzaamheid ? Zijn het de laatste bijwerkingen van een nomadisch bestaan ? Wat doet het met een mens om eeuwenlang rond te zwerven, zonder vaste stek ? Wat is de kern van de nomadische identiteit ? Je denkt wat meer op korte termijn vermoedelijk, carpe diem enzo. Spullen accumuleren is ook best vervelend, want ze vormen letterlijk ballast onderweg. Je laveert tussen steeds wisselende normen en waarden dus je klampt je vast aan een eigen ongeschreven wetboek. En waarom zou je je eigenlijk integreren, elke maand opnieuw, als een haan in de wind, als je ook gewoon authentiek kan blijven?
Het contrast met ons model kan niet groter zijn: de collectieve droom van de vaste benoeming en dito hypothecaire lening, het huis als zelfgekozen isolement, het verzamelen van spullen als enige écht nationale sport, het vastklampen aan de Vlaamse cultuur als een drenkeling aan wrakhout. Zowat alles waar minister-presidenten voor staan is zonder waarde voor hen. Voila een cUltUUrclash om U tegen te zeggen.
Dus je pakt uw valies richting Brugse Poort, met een handvol foto’s, want de beelden van vrijheid en trots die je zocht blijken enkel nog in archieven te vinden, en je verslikte je in het schouwspel van de miserie. Ergens temiddenin van de regenboog vallen nog tal van beelden te sprokkelen, beelden van mensen die erin slagen de derwish-dans der armoe te ontspringen en hun kroost een betere toekomst te bieden, gebundeld in één beeld: een huis, een hekje, een vers likje verf, en als je goed kijkt, een tuinkabouter, de mise-en-scene van een universele droom, in één beeld verenigd. De tuinkabouter als symbool van hoop.
En ’s avonds, als de weemoed komt, besef je dat uw weg naar fotografische roem niet geplaveid is met scherpe beelden van armoe maar met vage beelden van hoop.